mr. Minnema’s Minuut #17 – Bewijslast bij de doorschuifregeling
mr. Minnema’s Minuut #17 – Bewijslast bij de doorschuifregeling

mr. Minnema’s Minuut #17 – Bewijslast bij de doorschuifregeling

Bij een beroep op de doorschuifregeling ligt de bewijslast bij de belastingplichtige. Een recente uitspraak laat zien wat dat in de praktijk betekent – en waar het misgaat. Wat kunt u hieruit meenemen?

Het startpunt

De rechtbank formuleert het uitgangspunt kort en krachtig: wie zich beroept op de doorschuifregeling, moet de feiten stellen. De inspecteur kan ze gemotiveerd betwisten, waarop de adviseur aannemelijk moet maken dat het gaat om ondernemingsvermogen.

De maatstaf: aannemelijk maken

Aannemelijk maken is de norm; zowel vóór als na betwisting. Hoewel het een relatief lichte maatstaf, is onderschatten een onverstandig idee.

Drie vermogensbestanddelen, drie uitkomsten

Toegepast op de uitspraak zien we het volgende;

  1. Het vastgoed (arbeid+ én rendement+): niet aannemelijk gemaakt. Het ging om de verhuur van werkplekken/vergaderruimtes, met een beheerder en interieurverzorger. De inspecteur plaatste gemotiveerde kanttekeningen: de overgelegde rendementsberekening hield geen rekening met financieringslasten, ging uit van de WOZ-waarde in plaats van de werkelijke waarde en nam ten onrechte het restaurantinkomen mee. Tot slot ontving de beheerder 50% van het rendement. De adviseurs konden dit deels beamen en verder niet weerleggen.
  2. De woning: niet aannemelijk gemaakt. Er waren wel plannen tot projectontwikkeling, maar de vennootschap had zich daar niet actief voor ingezet. De arbeid was door de buurman verricht; feitelijk werd gespeculeerd op een goede afloop. Geen materiële onderneming.
  3. De liquide middelen (€ 700.000): wél aannemelijk gemaakt. Hoewel de inspecteur wees op de wisselende verklaringen, slaagt belanghebbende’s weerlegging. Doorslaggevend waren de notulen (bewijs v/d verplichting tot vervangingsinvesteringen), het overzicht van omvangrijke investeringen en de boekhoudkundige verwerking.

Wat betekent dit voor uw praktijk?

Het verschil tussen slagen en falen zat niet in de rechtsvraag, maar in de kwaliteit van de onderbouwing. Objectieve, gebruikelijke stukken – notulen, jaarrekeningen, administratieve overzichten – maakten het verschil. Een blote stelling of een achteraf opgestelde berekening is onvoldoende. Wie een beroep op de doorschuifregeling voorbereidt, doet er goed aan om vooraf de ondernemingskwalificatie van elk vermogensbestanddeel te documenteren. Juist het ontbreken daarvan bleek hier fataal.

Meer weten over formeel belastingrecht, bewijslast en fiscale boetes? Stuur me gerust een bericht, ik help graag met de formeelrechtelijke kant van dit soort dossiers.

Link naar uitspraak: ECLI:NL:RBZWB:2026:9142