mr. Minnema’s Memo #1 – Inzagerecht inzichtelijk: artikel 66a AWR voor uw praktijk
mr. Minnema’s Memo #1 – Inzagerecht inzichtelijk: artikel 66a AWR voor uw praktijk

mr. Minnema’s Memo #1 – Inzagerecht inzichtelijk: artikel 66a AWR voor uw praktijk

Sinds 31 december 2025 is de Wet stroomlijning fiscaal inzagerecht in werking. Voor de fiscale praktijk is dit een van de belangrijkste formeelrechtelijke wijzigingen van de afgelopen jaren. Het nieuwe artikel 66a AWR draait de verhouding tussen belastingplichtige en inspecteur fundamenteel om: een actieve verplichting van de inspecteur om het dossier te openen in eerste fase. Wat betekent dat concreet voor uw praktijk?

De achtergrond: waarom dit artikel er is gekomen

Het idee is simpel: als de overheid een grondrecht schendt, moet de burger in staat zijn om te zien welke informatie de overheid gebruikt om tot die conclusie te komen. De directe aanleiding voor de wet is de affaire rondom de Fiscale Sector Veiligheid (FSV) en de ontdekkingen over etnisch profileren. In deze zaken bleek dat de Belastingdienst op basis van achtergronden en stereotypen keuzes maakte over wie er werd gecontroleerd. Dit leidde tot een groot publiek debat over de rol van de overheid en de grenzen van haar bevoegdheden.

Daarnaast speelde het arrest van de Hoge Raad uit december 2021 (het ‘1043-arrest’, ECLI:NL:HR:2021:1748) een cruciale rol. In die zaak werd bevestigd dat discriminatie bij de selectie van controles onaanvaardbaar is. Dit creëerde een juridische druk: de overheid moest aantonen dat de selectie van dossiers objectief en rechtvaardig was. In het kader van het Belastingplan 2024 werd het amendement-Omtzigt ingevoerd. Het doel van dit amendement was om burgers een concreet instrument te geven om te controleren of de Belastingdienst zich aan de regels houdt.

De aanslagfase

Met de komst van artikel 66a AWR wordt uiterlijk bij de bekendmaking van een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking verleent de inspecteur inzage in de “op de zaak betrekking hebbende stukken”. De stukken worden via het digitale portaal (Mijn Belastingdienst of Mijn Douane) beschikbaar gesteld en blijven dat tot vernietiging op grond van de Archiefwet. Ook de voldoening of afdracht op aangifte (zoals de omzetbelasting) wordt gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking. Daarmee vallen aangiftebelastingen niet buiten de regeling.

Er is wel geduld nodig; vanwege ICT-uitdagingen vindt er een gefaseerde invoering plaats. Voor nu geldt het enkel voor de inkomstenbelasting. Per 1 januari 2032 geldt het voor alle middelen.

Artikel 66a lid 2 AWR: het digitale portaal en de bewaartermijn

Artikel 66a lid 2 AWR regelt de technische en temporele kant van het inzagerecht. De inspecteur stelt de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige beschikbaar via een digitaal portaal. De stukken blijven beschikbaar tot het moment dat zij zijn of worden vernietigd op grond van artikel 3 van de Archiefwet 1995.

Dit heeft twee concrete gevolgen;

  1. Eén centraal portaal. De stukken worden niet per post of per e-mail verstrekt, maar via het digitale portaal (Mijn Belastingdienst of Mijn Douane). Dat maakt het dossier op elk moment raadpleegbaar en voorkomt dat stukken verspreid raken over verschillende kanalen.
  2. Langdurige beschikbaarheid. De stukken blijven niet slechts kort raadpleegbaar, maar gedurende de gehele bewaartermijn die voortvloeit uit de Archiefwet 1995. Pas wanneer de stukken op grond van artikel 3 van die wet worden vernietigd, eindigt de beschikbaarheid.

Geheimhouding om gewichtige redenen: wanneer blijft een stuk buiten beeld?

Het uitgangspunt van artikel 66a AWR is ruim: alle stukken die aan de aanslag of beschikking ten grondslag liggen, worden ter inzage aangeboden. Alleen bij “gewichtige redenen” mogen stukken geheim blijven. De wetgever sluit daarbij aan bij artikel 7:4 Awb (en in beroep artikel 8:29 Awb).

Bij ieder van deze categorieën weegt het andere belang zwaarder dan het inzagerecht van 66a AWR. Als er gewichtige redenen zijn, is de inhoud van het stuk niet zichtbaar, maar wordt de reden wél in het portaal vermeld. Zo is duidelijk dát er stukken geheim zijn gehouden — en op welke grond. In bezwaar kan de belastingplichtige stellen dat het stuk alsnog ter inzage moet; in beroep oordeelt uiteindelijk de rechter op grond van artikel 8:29 Awb.

De Belastingdienst hanteert vijf categorieën van gewichtige redenen:

  1. Privacy van derden — De memorie van toelichting noemt een concreet voorbeeld: inkomensgegevens van ándere belastingplichtigen. De inspecteur kan die betrekken bij zijn beslissing om een aftrekpost te weigeren, bijvoorbeeld omdat de opgevoerde kosten hoger zijn dan gebruikelijk.
  2. Privacy van individuele of groepen ambtenaren — bescherming van degenen die bij de controle betrokken zijn. Als een inspecteur een zeer gevoelige zaak behandelt, kan het risico op represailles of persoonlijke bedreigingen een reden zijn om de naam van de betreffende ambtenaar niet in het dossier te laten staan.
  3. Effectieve controle en controlestrategie — Een voorbeeld is het niet prijsgeven van een specifieke methode waarmee de Belastingdienst bepaalde soorten fraude detecteert. Als die methode bekend wordt, kunnen boosdoeners hun boekhouding daarop aanpassen.
  4. Ongehinderde opsporing en vervolging — Als er sprake is van een mogelijke fraudezaak die ook strafrechtelijk wordt onderzocht, kunnen stukken die direct bij die opsporing horen, worden achtergehouden om de politie of het OM niet te hinderen.
  5. Juridische adviezen voor de procespositie — Dit gaat over de interne discussies binnen de Belastingdienst over hoe zij juridisch zullen optreden in een specifieke zaak. Deze interne strategie wordt niet gedeeld om de positie van de inspecteur in een eventueel geschil niet te verzwakken.

Belangrijke nuances op de toepassing van gewichtige redenen

Uit de memorie van toelichting en andere wetsgeschiedenis komt het volgende naar voren.

  1. Bij effectieve controle en controlestrategie is terughoudendheid geboden. De achtergrond van het amendement-Omtzigt en het ‘1043-arrest’ was nu juist om belastingplichtigen een instrument te geven om te controleren of de Belastingdienst een grondrecht heeft geschonden, zoals discriminatie. Een te ruime geheimhouding op grond van “controlestrategie” zou dat doel ondergraven. Tegelijk moet worden voorkomen dat kwaadwillenden de informatie gebruiken om een onjuiste aangifte zo op te stellen dat die niet wordt uitgeworpen voor controle. Daar zit de spanning: transparantie waar het gaat om grondrechtenschendingen, maar geen routekaart voor wie de controle wil ontwijken.
  2. Stukken voor intern beraad zijn niet categorisch uitgesloten. Interne e-mailwisselingen, notities en (concept)adviezen kunnen op de zaak betrekking hebben en moeten dan worden verstrekt, tenzij een gewichtige reden zich daartegen verzet.
  3. Wél een gewichtige reden is mogelijk als verstrekking ertoe zou leiden dat de controlestrategie bekend wordt, waardoor de effectieve controle van toekomstige gevallen wordt belemmerd.
  4. Geen vooraf vastgestelde lijst. De staatssecretaris kan niet op voorhand per type stuk aangeven welk stuk wel of niet ter inzage kan; dat moet per situatie worden beoordeeld.
  5. Grofmaziger dan in bezwaar. De belangenafweging in deze actieve fase is grofmaziger dan in bezwaar, omdat het proces grotendeels geautomatiseerd is en grote aantallen betreft. Het kan dus voorkomen dat in bezwaar alsnog stukken of passages worden verstrekt die op grond van artikel 66a/66b AWR niet zijn verstrekt.

Artikel 66b AWR: de tijdelijke, facultatieve regeling

Naast het actieve inzagerecht van artikel 66a kent de wet een tweede pijler: artikel 66b AWR. Dit artikel biedt een tijdelijke, facultatieve regeling voor situaties tijdens de periode waarin de Belastingdienst de verschillende rijksbelastingen stapsgewijs aanpast aan de nieuwe regels. Zodra een specifieke belasting volledig is omgezet naar het systeem van artikel 66a, vervalt de noodzaak voor de facultatieve regeling van 66b voor die specifieke zaak. In de parlementaire behandeling werd er veel aandacht besteed aan de balans tussen administratieve haalbaarheid en de rechten van de burger. De regering benadrukte in de memorie van toelichting dat artikel 66b een noodzakelijke brugfunctie heeft. Zonder deze facultatieve regeling zouden er tijdens de transitie grote vertragingen ontstaan in de verlening van inzage.

  1. Onder artikel 66b kan een belastingplichtige nog steeds een verzoek indienen voor inzage in stukken die niet direct onder het actieve inzagerecht vallen. Dit geeft de Belastingdienst de mogelijkheid om in bepaalde gevallen tóch informatie te verstrekken die buiten de strikte verplichting valt van 66a AWR. Tegelijkertijd wordt het begrensd door 67 AWR: de geheimhoudingsbepaling blijft altijd toepasselijk. Het is dus een kan-bepaling die de dienst discretionaire ruimte geeft. Dat is tegelijkertijd de makke; het is geen afdwingbaar recht voor de belastingplichtige. Als er wordt afgewezen zijn er geen rechtsmiddelen. De dwangsomregeling en een zelfstandig beroep wegens niet tijdig verstrekken zijn evenmin van toepassing.

Biedt dit dan een schuilplaats voor de inspecteur? Daarin is uitgebreid gesproken in de wetsgeschiedenis; de regering stelde hierop dat de overgangsperiode strikt beperkt is en dat de inspecteur de voorkeur moet geven aan het actieve inzagerecht zodra de technische mogelijkheden daarvoor aanwezig zijn. Kortom, 66b biedt kansen binnen diens beperkingen.

Vergelijking met het inzagerecht in bezwaar (7:4 Awb)

Het is verleidelijk om het nieuwe artikel 66a AWR te zien als een vervanging van het bestaande inzagerecht in bezwaar. Dat is het niet. Beide regelingen bestaan naast elkaar en hebben een eigen karakter. Het verschil is wezenlijk voor de praktijk.

Er zijn zeker overeenkomsten; beide bieden inzage, beide kennen geheimhouding wegens zwaarwegende redenen. Waar 66a AWR massaal is en ziet op alle documenten die de inspecteur tot diens beschikking staan, is 7:4 beperkt tot de documenten die zijn gebruikt voor de aanslagoplegging. Zijn er drie mogelijke correctiepunten en wordt één gecorrigeerd, dan blijven de ongebruikte correctiepunten buiten het bereik van 7:4. Immers, de inspecteur beoordeelt per correctie welke stukken relevant zijn en maakt een gerichte belangenafweging. Het inzagerecht is bovendien gekoppeld aan een concrete procedure: er is al een bezwaar ingediend, de inzage dient om de belastingplichtige in staat te stellen zich goed te verweren en is gekoppeld aan het hoorrecht.

Kortom, ze vullen elkaar aan en hebben ieder hun eigen waarde.

Wat betekent dit voor uw werkwijze?

Voor de dagelijkse praktijk betekent dit dat u bij het beoordelen van een dossier moet kijken naar de datum van de aanslag en de soort belasting. Is de aanslag vóór de volledige implementatie van de betreffende belasting uitgevaardigd? Dan kan het zijn dat u nog gebruik kunt maken van de facultatieve regeling van artikel 66b. Het is daarom essentieel om de specifieke status van de belastingsoort in kaart te brengen voordat u een keuze maakt over de juridische route.

  1. Eerder en vollediger zicht op het dossier. Direct na de aanslag of beschikking kunt u het dossier raadplegen en beoordelen of de inspecteur alle relevante stukken heeft gebruikt.
  2. Meent u dat het dossier onvolledig is, dan moet dat worden aangevoerd in de bezwaarprocedure tegen de aanslag of beschikking zelf.
  3. Let op de geheimhoudingsmeldingen. Daarachter kunnen stukken zitten die u in bezwaar alsnog kunt opvragen.
  4. De jurisprudentie-golf moet nog komen; dit maakt het voor adviseurs extra belangrijk om onvolledigheden in het dossier nu al scherp te signaleren en in de bezwaarfase te parkeren.

Hoe pakt u dit in uw praktijk op?