Een boete van € 5.500 euro sneuvelt, omdat de Svb de cautie vergat. De rechtbank Midden-Nederland zet daarmee een duidelijke lijn neer.
In het kort
De Svb legde een AOW-gerechtigde een boete op, omdat hij een gezamenlijke huishouding niet had gemeld. De boete was gebaseerd op verklaringen die tijdens een huisbezoek waren afgelegd. Daarbij was geen cautie gegeven. De cautie volgde pas later, bij het boetegesprek.
Cautie in het bestuursrecht
2019: de Hoge Raad oordeelde in 2019 over de gevolgen van een niet-verleende cautie. Gelet op de aansluiting van het fiscale recht bij het strafrecht; dit verzuim leidt in beginsel tot onbruikbaar bewijs, tenzij belanghebbende’s belangen niet zijn geschaad.[1]
2021: de CRvB oordeelde over een SVB-huisbezoek, welk diende alleen om vast te stellen of recht op uitkering bestond. In die fase is er geen aanleiding om de cautie te geven. De cautieplicht geldt pas als een verhoor mede kan leiden tot een bestraffende sanctie. Echter, wilsafhankelijk materiaal mag worden afgedwongen voor de vaststelling van het recht op uitkering. Kan echter niet worden uitgesloten dat het materiaal ook bij een criminal charge wordt gebruikt, dan moet de SVB het zwijgrecht borgen en ziet de rechter hierop toe.[2]
2024: de Rb Den Haag vond de cautie wél tijdig gegeven. De inspecteur vroeg eerst of er een tewerkstellingsvergunning was. Pas na het antwoord gaf hij de cautie. Dat was tijdig, want van een overtreding was op dat moment nog niet gebleken. De boete hield stand.[3]
Het oordeel
De rechtbank past de CRvB-maatstaf toe en oordeelt dat de boete geen stand kan houden. Dit lijkt haaks te staan op de CRvB-uitspraak, maar de nuance is dat de CRvB oordeelde over een wilsonafhankelijk iets (wel/ geen vergunning). De checklist van de Svb-inspecteur is grotendeels gebaseerd is op verklaringen (en dus wilsafhankelijk), materiaal, wat zonder cautie was verkregen en toch aan de boete ten grondslag gelegd. De stelling van de SVB dat er nog geen redelijk vermoeden van een boete was, helpt niet. Bij aanvang kon immers niet worden uitgesloten dat de bevindingen ook aan een boete ten grondslag zouden worden gelegd. Daar komt bij dat de cautie evenmin is gegeven verderop in het gesprek.
Wat kunt u hieruit meenemen?
Hoewel dit geen fiscale zaken zijn, is de cautieplicht de relevante link met het fiscale.
a) Leg vast wanneer de cautie is gegeven.
b) Toets of de cautie tijdig is gegeven, voordat uw cliënt belastende verklaringen aflegde.
c) Beoordeel met precisie in hoeverre het bewijs wilsafhankelijk is. Is dat niet zo, betoog dan dat het wilsafhankelijke materiaal van het bewijs moet worden uitgesloten.
Meer weten over formeel belastingrecht en fiscale boetes? Stuur mij gerust een bericht, ik help graag met de formeelrechtelijke kant van dossiers.
Link naar uitspraak Rechtbank 05-10-2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6753:
[1] HR 15-11-2019, ECLI:NL:HR:2019:1786, r.o. 2.6.1. t/m 2.6.7.
[2] CRvB, 28-05-2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1261
[3] Rb Den Haag, 22-11-2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22891
