Een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant laat scherp zien waar de grenzen van de rechterlijke toetsing in het belastingrecht liggen.
De zaak in het kort
Koper Isaak* verkrijgt in december 2022 een woning en past het verlaagde tarief van 2% overdrachtsbelasting toe. Binnen enkele maanden verkoopt hij de woning weer. De inspecteur legt een naheffingsaanslag op naar 8%: € 45.200 plus belastingrente. Isaak beroept zich op artikel 15a lid 5 WBR; dit artikel past het lagere tarief toe, mits de koper aannemelijk maakt dat er onvoorziene omstandigheden zijn na de verkrijging. Hij stelt dat sprake was van een miskoop; het zijn kleinere, benauwde slaapvertrekken en er is veel verkeersgeluid, waardoor Isaak en diens partner last hebben van claustrofobie, slaapproblemen en zijn partner stelt hem een ultimatum; verkopen of vertrekken.
Het oordeel
Drie formeelrechtelijke punten springen eruit:
- Toetsingsverbod (art. 120 Grondwet). De WBR is een wet in formele zin. De rechter mag die niet toetsen aan algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Een beroep op de menselijke maat strandt hier dus al snel.
- Contra legem. Buiten toepassing laten van de wet kan alleen bij bijzondere omstandigheden die de wetgever niet heeft verdisconteerd (HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:815). De wetgever heeft met art. 15a lid 5 WBR juist bewust een niet-uitputtende uitzondering opgenomen. Die ruimte is hier al getoetst en biedt geen soelaas.
- Artikel 1 EP (eigendomsrecht). Geen strijd op regelgevingsniveau, en ook geen individuele en buitensporige last. Dat de schatkist door de snelle doorverkoop niets is misgelopen, doet niet ter zake.
Toekomstige toetsing aan het evenredigheidsbeginsel
Het wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb (voorheen Wet versterking rechtspositie Awb) bevat een voorstel om wetten in formele zin wél te kunnen toetsen aan algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Bij de inwerkingtreding zou dit prima tot een andere uitkomst bij vergelijkbare feiten kunnen leiden; met name het element dat de Staatskas geen pijn voelde zou kans van slagen hebben. In mijn beschouwing van afgelopen vrijdag komt dit aspect van het wetsvoorstel aan bod.
Wat kunt u hieruit meenemen?
De omstandigheden vonden hun oorsprong in kenmerken van de woning die bij aankoop al kenbaar waren. Wie bewust één korte bezichtiging doet en zijn partner niet betrekt, draagt dat risico zelf. Hoe invoelbaar de gevolgen ook zijn, de rechter kan de wet niet opzijzetten omdat de uitkomst hard uitpakt.
In de huidige situatie is een beroep op redelijkheid, billijkheid of het evenredigheidsbeginsel is bij een wet in formele zin nu vrijwel kansloos. De route loopt via de wettelijke uitzonderingen — en daar moet het feitencomplex dan ook echt in passen. Houd de Wet versterking waarborgfunctie Awb in de gaten: als de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel erin komt, verandert dit speelveld fundamenteel.
*gefingeerde namen
Link naar uitspraak: ECLI:NL:RBZWB:2026:9134
